Sinds FPA door ISO is gecertificeerd, maken de zogeheten systeemkenmerken en correctiefactor geen onderdeel meer uit van de FPA-methode. Voor een volledig beeld worden deze begrippen onderstaand toegelicht.
FPA is een techniek om de functionele omvang van een informatiesysteem of project te bepalen. Deze omvang kan onder andere worden gebruikt voor het opstellen van een begroting.
De pagina Hoe werkt FPA? legt de methode uit. Soms heeft men richting begroting behoefte om ook technische en kwalitatieve eisen een rol te laten spelen in de vertaalslag van functionele omvang (functiepunten) naar inspanning (uren).
Voorheen waren hiervoor binnen de FPA-methode de systeemkenmerken voorzien. Deze leidden tot een toen zogeheten "correctiefactor" die met het verkregen aantal functiepunten moest worden vermenigvuldigd. Het woord "correctiefactor" was een minder gelukkige vertaling van het Engelse "value adjustment factor".
De systeemkenmerken kwamen in de huidige tijd maar weinig aan deze
behoefte tegemoet. Veel bedrijven pasten deze dan ook niet meer toe.
Nadat de ISO bepaalde dat dit soort technische en kwalitatieve
karakteristieken geen invloed mogen hebben op de functionele omvang,
zijn ze in 2003 uit de FPA-methode verwijderd.
Het benchmarking instituut ISBSG houdt ook geen rekening meer met de systeemkenmerken.
Dat neemt niet weg, dat iedereen nog steeds systeemkenmerken (onderstaande of afwijkende) kan gebruiken als men daarin toegevoegde waarde ziet. Maak daar in een opdrachtgever/opdrachtnemer situatie dan expliciete afspraken over.
Deze pagina geeft aan, hoe een correctiefactor kan worden gebruikt voor kenmerken die het systeem als geheel betreffen. Het Handboek Telrichtlijnen FPA van de NESMA bevat (in de appendix) de precieze definities en waarderingscriteria voor deze systeemkenmerken.
Het aantal functiepunten van een systeem (zie de pagina Hoe werkt FPA?) geeft de functionele omvang aan het systeem aan. Hierop kan men het overall-effect van technische en kwalitatieve eisen ten aanzien van van het systeem verdisconteren (bijv. response-tijd, transactiegraad, gebruiksgemak).
Traditioneel werden hiervoor onderstaande veertien systeemkenmerken gebruikt.
|
De veertien systeemkenmerken |
|
|---|---|
|
1. Datacommunicatie |
8. Online update |
|
2. Gedistribueerde gegevensverwerking |
9. Complexe interne verwerking |
|
3. Prestatiedoeleinden |
10. Produceren van herbruikbare code |
|
4. Productiesysteem |
11. Installatiegemak |
|
5. Transactievolume |
12. Bedieningsgemak |
|
6. Online data-entry |
13. Meerdere locaties/organisaties |
|
7. Gebruikersdoelmatigheid |
14. Flexibiliteit |
Elk van deze systeemkenmerken wordt op basis van eenduidige criteria
gewaardeerd op een schaal van 0 (géén invloed) tot 5 (zeer veel
invloed). De criteria staan beschreven in een appendix van het
Handboek Telrichtlijnen FPA van
de NESMA..
De totaalscore ligt in deze traditionele aanpak dus tussen 0 (14 x
0) en 70 (= 14 x 5).
Op basis van de totaalscore van de systeemkenmerken wordt de zogenoemde correctiefactor bepaald:
|
Correctiefactor = 0,65 + 0,01 * Totaalscore Systeemkenmerken |
Deze correctiefactor wordt vermenigvuldigd met de functionele omvang (het aantal functiepunten) van het systeem. Het resulterende getal heette voorheen "netto aantal"). De correctiefactor heeft dus een invloed tussen -35% (0,65 + 0,00) en +35% (0,65 + 0,70). In de praktijk is dit vaak beperkt tot (plus of min) 10%.